Warenfetisjisme

"De rijkdom van de maatschappijen, waarin de kapitalistische productiewijze heerst, heeft de vorm van een ‘kolossale opeenhoping van waren’" — Openingszin van Het Kapitaal.

Warenfetisjisme is bij Marx het verschijnsel dat, in een markteconomie, relaties tussen mensen onderling zich voordoen als relaties tussen mensen en dingen, namelijk tussen mensen en koopwaar.

Wie op de markt een product koopt, staat in relatie tot de producent, de toeleveranciers, de vervoerders, enz.: al deze mensen werken voor de koper. Alle producenten, dwz. allen die productieve arbeid leveren, staan zo in relatie tot elkaar. De markteconomie verbergt echter al deze sociale relaties achter de verkochte waar en de prijs daarvan. Bij Marx is deze prijs een afspiegeling van de waarde van de geleverde arbeid (arbeidswaardeleer), maar de afspiegeling is indirect en de arbeid is niet meer als zodanig herkenbaar. De koper ziet enkel het product en de prijs daarvan en maakt op basis daarvan de keuze om al dan niet te kopen.

Dit verbergen van de arbeidsrelatie tussen producent en consument is een illusie, maar een die consequenties heeft in de echte wereld, of men zich ervan bewust is of niet.[1] Zeker in een vergevorderde markteconomie móet de producent produceren voor de marktwaarde, zonder te weten wie de koper van zijn product is, of er een koper zal zijn, en wat de uiteindelijke marktwaarde van het product zal zijn. Als consument is de producent evenzeer afhankelijk van de markt om in zijn levensonderhoud te voorzien: in een moderne maatschappij met vergevorderde arbeidsdeling is hij aangewezen op de markt voor producten die zijn behoeften bevredigen.