Wallingford Riegger

Wallingford Riegger
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Algemene informatie
Volledige naam Wallingford Constantine Riegger
Alias Edwin Farrell;
Gerald Wilfring Gore;
Leonard Griegg;
Edgar Long;
John H. McCurdy;
George Northrup;
William Richards;
Robert Sedgwick;
Walter Scotson
Geboren 29 april 1885
Overleden 2 april 1961
Land Vlag van Verenigde Staten  Verenigde Staten
Werk
Genre(s) symfonische muziek, HaFaBramuziek, filmmuziek
Beroep componist, muziekpedagoog, dirigent en cellist
Instrument(en) piano, viool, cello
(en) IMDb-profiel
Portaal  Portaalicoon   Muziek

Wallingford Constantine Riegger ( Albany (Georgia), 29 april 1885New York City, 2 april 1961) was een Amerikaans componist, muziekpedagoog, dirigent en cellist. Voor bepaalde werken gebruikte hij de pseudoniemen Edwin Farrell, Gerald Wilfring Gore, Leonard Griegg, Edgar Long, John H. McCurdy, George Northrup, William Richards, Robert Sedgwick en Walter Scotson.

Levensloop

Riegger werd geboren als zoon van het muzikale echtpaar Ida Wallingford en Constantine Riegger. Zijn moeder was een getalenteerd pianiste en zijn vader een violist. De familie vertrok toen de houtmolen totaal afbrandde eerst naar Indianapolis en daarna naar Louisville (Kentucky). In 1900 vertrok de familie naar New York City. Van vader en moeder had Wallingford Constantine piano- en vioollessen gekregen; verder speelde hij vanaf 1900 cello. In New York City studeerde hij aan het Institute of Musical Arts, de voorganger van de huidige Juilliard School of Music, onder andere cello bij Alvin Schroeder, compositie en muziektheorie bij Percy Goetschius. In 1907 wisselde hij aan de Hochschule für Musik in Berlijn en studeerde onder andere bij Max Bruch en Edgar Stillman-Kelley compositie alsook cello bij Robert Haussman en Anton Hekking. In 1910 maakte hij zijn debuut als dirigent met het Blüthner Orchester in Berlijn. Nadat hij zijn studies voltooid had, ging hij in 1910 terug naar de Verenigde Staten.

In 1911 huwde hij Rose Schramm, met wie hij drie dochters had.

Riegger werkte van 1911 tot 1914 als cellist in het St. Paul Symphony Orchestra. Van 1915 tot 1917 was hij opnieuw in Duitsland, maar nu als opera-dirigent in Würzburg (1914-1915), Kaliningrad, toen nog Koningsbergen (1915-1916) en opnieuw Berlijn (1916-1917). Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog ging hij terug naar de Verenigde Staten. Van 1918 tot 1922 was hij docent voor cello en muziektheorie aan de Drake universiteit in Des Moines (Iowa). Het Cincinnati College-Conservatory of Music (CCM) in Cincinnati (Ohio) eerde hem als ere-doctor. Vanaf 1924 doceerde hij in New York (Institute of Musical Art (1924-1925) en Ithaca College School of Music in Ithaca (New York) (1926-1928)). In de tijd van 1930 tot 1956 werkte hij aan verschillende conservatoria en Colleges en als editor in een muziekuitgeverij. Tot zijn bekende leerlingen behoren Alan Stout, Merton Brown, Michael Colgrass, Jose Limon en Morton Feldman.

Als componist won hij met zijn Piano Trio in 1921 de "Paderewski Prijs" en in 1924 als eerste Amerikaanse componist überhaupt de "Elizabeth Sprague Coolidge Award" voor zijn werk La Belle dame sans merci, voor solo-zangstemmen en kamerorkest naar een gedicht van John Keats. In de jaren dertig schreef hij veel werken voor dans- en balletcompagnieën, onder andere ook voor Martha Graham, Doris Humphrey, Hanya Holm, Charles Weidman, Anna Sokolow, Helen Tamiris, Saida Gerrad en Erick Hawkins.

Zijn Study in Sonority (1927) voor 10 violen of een veelvoud ervan is als mijlpaal voor de transitie tot een dissonant en contrapuntale stijl aan te zien. Hij werd een van de eerste Amerikaanse componisten, die de Dodecafonie (twaalftoonstechniek) van Arnold Schönberg adapteerde en in 1932 in zijn werk Dichotomy omzette. Zijn gebruik van de twaalftoonstechniek is zowel expressief alsook lyrisch, maar tegelijkertijd ook technisch gevorderd. Zijn 3e symfonie (1948), die zowel in twaalftoonstechniek, maar ook in de conventionele stijl geschreven is, bracht hem grote bekendheid en hij won ermee de "New York Music Critics' Circle Award" en een studiebeurs van de "Naumburg Foundation". Hij behoorde tot de "American Five", een groep van avant-gardistische componisten, waartoe - naast hem - ook Charles Ives, Charles Ruggles, Henry Cowell en John J. Becker behoorden. In zijn latere werken gebruikte hij strikte vormen (Canon and Fugue) en verwerkt traditioneel en experimenteel materiaal (Variaties, voor viool en orkest; Quintuple Jazz).