Tijdsvereffening

De tijdsvereffening - boven de as het aantal minuten dat de plaatselijke middelbare tijd voorloopt op de zonnewijzer (maximaal 14 minuten), en onder de as het aantal minuten dat hij achterloopt (maximaal 16,5 minuut). De bijdragen van de elliptische aardbaan en de helling van de aardas zijn afzonderlijk aangegeven.

De tijdsvereffening is het verschil tussen de plaatselijke middelbare tijd en de zonnetijd.

De zonnetijd is de plaatselijke tijd gemeten met een zonnewijzer. Twaalf uur 's middags wordt gedefinieerd als het moment waarop de zon de plaatselijke meridiaan passeert. De zon staat dan in het zuiden (of noorden). De tijd tussen twee opeenvolgende passages is een zonnedag. De lengte van een zonnedag varieert echter in de loop van het jaar, waardoor de zonnetijd ongelijkmatig is. Ten opzichte van de klok verschilt het moment waarop de zon de meridiaan passeert van dag tot dag.

De middelbare tijd is over een jaar gemiddeld gelijk aan de zonnetijd, maar elk etmaal duurt precies 24 uur. Dankzij de vereffening van de variatie van de zonnetijd kan de middelbare tijd worden weergegeven door gelijkmatig lopende uurwerken.

De kloktijd loopt vrijwel gelijk op met de plaatselijke middelbare tijd. Er is een constant verschil afhankelijk van de ligging in de tijdzone en de eventuele toepassing van zomertijd. Andere verschillen worden kleiner gehouden dan 0.9 s door incidentele toepassing van schrikkelseconden.

Oorzaken

De schommeling van de zonnetijd heeft twee oorzaken. Ten eerste is de baan van de aarde om de zon licht elliptisch, wat gevolgen heeft voor de hoeksnelheid, vanwege de tweede wet van Kepler. Begin januari staat de aarde het dichtst bij de zon en is de hoeksnelheid het grootst. Dit verlengt de zonnedag. De aarde moet namelijk verder om zijn as draaien om de zon weer recht voor zich te krijgen. Begin juli is de aarde het verst van de zon verwijderd en de hoeksnelheid laag, wat de zonnedag verkort.

Een tweede bijdrage komt van de helling van de aardas ten opzichte van de baan om de zon. Die veroorzaakt de seizoenen, maar beïnvloedt ook de lengte van de zonnedag.

De oriëntatie van de aardas ten opzichte van de zon aan het begin van de vier seizoenen.

Aan het begin van de zomer en de winter is de aardas naar de zon toe gekanteld. De baanbeweging van de zon is vrijwel van oost naar west gericht. Het duurt relatief lang voordat de aardrotatie deze beweging inhaalt. Dit verlengt de zonnedag. Bij het begin van de lente en de herfst staat de aardas scheef voor de zon. De baanbeweging is nu niet geheel in de oost-west richting en wordt sneller ingelopen door de draaiing van de aarde om zijn as. Dit verkort de zonnedag.

De invloed van de twee oorzaken op het verschil tussen de zonnetijd en de middelbare tijd is ongeveer even groot. Maar ze hebben niet hetzelfde verloop. De variatie door de helling van de aarde herhaalt zich elk half jaar. Het maakt namelijk niet uit of de aardas naar voren of naar achteren is gericht (in de winter en de zomer) of linksom of rechtsom (in de lente en de herfst). De variatie door de elliptische aardbaan herhaalt zich eens per heel jaar.

In de herfst en winter werken de twee invloeden samen, wat er toe leidt dat de zonnetijd rond 2 november ruim 16 minuten voorloopt op de middelbare tijd. De grootste achterstand wordt bereikt rond 11 februari en is zo’n 14 minuten. In de lente en de zomer werken de twee invloeden elkaar tegen, zodat de afwijkingen kleiner zijn.

In andere talen
беларуская: Ураўненне часу
Deutsch: Zeitgleichung
magyar: Időegyenlet
日本語: 均時差
한국어: 균시차
lietuvių: Laiko lygtis
português: Equação do tempo
slovenčina: Časová rovnica
slovenščina: Časovna enačba
Türkçe: Zaman denklemi
oʻzbekcha/ўзбекча: Vaqt tenglamasi
中文: 均時差