Soort

Verschillende niveaus van het wetenschappelijk classificatiesysteem. Leven Domein (biologie) Rijk (biologie) Stam (biologie) Klasse (biologie) Orde (biologie) Familie (biologie) Geslacht (biologie) Soort

Magnify-clip.png
De hiërarchie van de acht belangrijkste taxonomische rangen. Een geslacht bevat een of meer soorten. Tussenliggende rangen zijn niet afgebeeld.

Een soort is in de biologie een elementaire taxonomische rang bij de indeling van de levende natuur ( taxonomie). Een veelgebruikte definitie is dat een soort bestaat uit alle individuen die zich onder natuurlijke omstandigheden (dus zonder menselijk ingrijpen) onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen opleveren. De individuen binnen een soort vertonen morfologische en genetische overeenkomsten. Binnen een soort kunnen echter ook onderlinge verschillen ( variatie) bestaan, zoals kleurvarianten. Soorten worden altijd in een geslacht geplaatst en kunnen worden onderverdeeld in ondersoorten.

Wanneer men spreekt van een soort is dit vaak tot op zekere hoogte arbitrair, verschillende deskundigen kunnen hierover van mening verschillen. Behalve op morfologische en anatomische kenmerken gebruikt men ook andere kenmerken om verwantschap te bepalen, zoals de volgorde van aminozuren in eiwitten of de basenvolgorde in DNA en RNA in celkernen, mitochondrion of plastiden.

Historische ontwikkeling van het soortconcept

Tot circa 1800

In de vroegste wetenschappelijke werken was een soort gewoon een individu dat stond voor een groep nagenoeg identieke organismen die in een of meer kenmerken verschilden van andere organismen; er werden geen groepskenmerken expliciet gemaakt.

De eerste die een functioneel concept van een soort gaf was John Ray. Hij gaf in 1686, in Historia plantarum de volgende biologische definitie van een soort:

Aanhalingsteken openen

Over de verschillende soorten (zoals ze dat noemen) van planten

Teneinde het aantal planten te kunnen bepalen, en er een goede indeling van te maken, is het noodzakelijk dat we een of andere eigenschap zoeken die een onderscheidend kenmerk is van soorten (zoals ze dat noemen). Maar hoewel wij er lang en veel naar hebben gespeurd, deed er zich geen enkele zekerder [eigenschap] voor dan de kenmerken die voortgeplant worden door het zaad. Op welke wijze er derhalve ook verschillen uit dezelfde zaden tevoorschijn komen, hetzij in een eenling, hetzij in een soort van planten, die zijn toevallig en niet soortbepalend. Zij planten namelijk hun kenmerken niet opnieuw uit het zaad voort. ...

Want zij die in onderscheidende kenmerken van elkaar verschillen, houden altijd die onderscheidende kenmerken, en deze komen niet voort uit het zaad van de andere, of vice versa. [1]

Aanhalingsteken sluiten

Dit concept gaat ervan uit dat een soort een eenheid is waarvan bij reproductie de kenmerkende eigenschappen in dezelfde gedaante opnieuw tevoorschijn komt. Ray zegt niets over het al dan niet kruisbaar zijn van deze soorten en of ze bij kruising al dan niet vruchtbare nakomelingen voortbrengen.

Carl Linnaeus
(1707 - 1778)

In de achttiende eeuw plaatste Linnaeus organismen in een schema op basis van de vorm (bij planten aanvankelijk die van hun reproductie-organen). Hoewel hij organismen indeelde op basis van overeenkomst in vorm, postuleerde hij nog geen verwantschap tussen op elkaar gelijkende soorten. De benadering was idealistisch: van iedere soort bestaat een "ideale vorm". Hoewel er altijd verschillen bestaan (hoe klein ook soms) tussen individuen, beschouwde Linnaeus deze variatie als problematisch. Hij streefde ernaar om individuen te vinden die typisch waren voor de soort. Exemplaren die minder aan het stramien voldeden vond hij afwijkend en onvolmaakt. Op dat moment werd nog algemeen aangenomen dat er geen gemeenschappelijke voorouders bestonden, hoeveel ze ook op elkaar mochten lijken; iedere soort was opzichzelfstaand geschapen door God, een gezichtspunt dat tegenwoordig creationisme wordt genoemd.

Tegen de negentiende eeuw waren de meeste biologen tot het inzicht gekomen dat soorten in de loop van de tijd konden veranderen, en dat onze planeet al lang genoeg bestond om belangrijke veranderingen mogelijk te maken. Het probleem verschoof nu meer naar hoe een soort dan wel kon veranderen in de loop der tijd. Lamarck opperde dat een organisme een verworven kenmerk door kon geven aan de volgende generatie. Stel bijvoorbeeld dat een dier zijn nek herhaaldelijk uitrekt om bij hogere bladeren in een boom te kunnen: de langere nek die het hierdoor heeft ontwikkeld zou dan volgens zijn theorie doorgegeven kunnen worden aan het nageslacht. Dit bekende en simplistische voorbeeld doet overigens geen recht aan de diepte en subtiliteit van Lamarcks ideeën hierover.

Lamarck en Darwin

Lamarcks belangrijkste inzicht was wellicht dat soorten veranderlijk kunnen zijn; zijn werk uit 1809, "Zoölogische filosofie", bevat een van de eerste logische ontkrachtingen van het creationisme. Toen Charles Darwin op het toneel verscheen raakten de theorieën van Lamarck in de vergetelheid. Pas in de late 20e eeuw werden zijn ideeën weer opnieuw onderzocht en kregen ze een plaats in de ontwikkeling van de moderne theorie van de adaptieve radiatie. Verder bleek sinds de jaren 1990 dat er steeds meer zogenaamd epigenetisch processen een rol spelen waarbij de structuur van het DNA van een organisme tijdens zijn leven kan veranderen. Zo werd rond de eeuwwisseling DNA-methylering ontdekt, een proces waarbij bepaalde stoffen aantoonbaar het DNA van menselijke lichaamscellen kunnen veranderen.

Darwin en Alfred Wallace stelden de evolutietheorie op, die de basis voor de moderne biologie vormt. Volgens Darwin zijn het de populaties die evolueren, niet de individuen. Zijn argument berust op een beschouwingswijze die ten opzichte van Linnaeus' radicaal nieuw was: in plaats van soorten te definiëren aan de hand van een ideale vorm en van dat ideaal een voorbeeld te zoeken, beschouwde Darwin variatie tussen individuen als een natuurlijk gegeven. Verder redeneerde hij dat dergelijke variatie voor de populatie een goede zaak is in plaats van een hinderlijk en problematisch verschijnsel.

In het voetspoor van Thomas Malthus redeneerde hij dat een populatie vaak groter zou neigen te worden dan de bestaansbronnen toelieten en dat sommige individuen zouden sterven. Darwin redeneerde dat de organismen die stierven diegenen waren die minder goed toegerust waren de strijd om het bestaan aan te gaan, en dat degenen die in een bepaalde omgeving overleefden en zich voortplantten doorgaans degenen zouden zijn die het best aangepast zouden zijn aan die omgeving. Variatie tussen leden van een soort is belangrijk omdat verschillende en veranderende leefomgevingen verschillende eisen stellen. Dat wil zeggen dat er geen ideale vorm bestaat; of een vorm goed is of niet hangt af van de context van de leefomgeving.

Deze overlevenden gaven geen verworven eigenschappen door aan hun nageslacht maar hun overgeërfde eigenschappen. Maar omdat de omgeving bepaalt welke organismen de kans krijgen om zich voort te planten, bepaalt die ook welke eigenschappen van het organisme bewaard blijven. Dit is de theorie van evolutie door natuurlijke selectie. In een populatie hebben bijvoorbeeld sommige dieren langere, en sommige kortere nekken. Als alle blaadjes hoog groeien zullen de dieren met korte nekken doodgaan; die met lange nekken zullen gedijen. Dergelijke processen kan men tegenwoordig gemakkelijk observeren bij het ontstaan van resistente bacteriestammen. De ontwikkeling van de genetica heeft, vele jaren na Darwin, laten zien door welke mechanismen variabiliteit ontstaat en hoe zulke kenmerken van generatie op generatie worden doorgegeven.

De theorie van de evolutie van soorten door natuurlijke selectie heeft belangrijke gevolgen voor discussies over het soortbegrip die de onderliggende aannames van het taxonomisch systeem van Linnaeus fundamenteel ondergraven. Alle nu levende organismen die zijn onderzocht delen met elkaar dezelfde genetische code (het DNA molecule) wat erop wijst dat ze afstammen van één gemeenschappelijke aartsouder zoals Darwin al postuleerde. [2] [3] [4] Hierdoor zijn soorten geen homogene, vaste en onveranderlijke groepen meer; alle leden van een soort zijn verschillend en met de tijd veranderen soorten. Soorten kunnen dan niet meer duidelijk afgegrensd worden maar zijn slechts een gemiddelde vorm van een constant veranderende serie genfrequenties. Linnaeus' systeem kan nog steeds worden gebruikt om individuen in groepen te plaatsen maar die groepen zijn niet langer permanent en onveranderlijk.

Het ontstaan van een nieuwe soort uit een afstammingslijn heet het soortvormingsproces. Dit proces verloopt gewoonlijk in kleine stapjes, en er is dan geen duidelijke lijn die een voorouderlijke soort van een daarvan afstammende soort afgrenst.

De soortclassificatie is ingrijpend veranderd door technologische vooruitgang waardoor het mogelijk werd verwantschap te definiëren in termen van genetische overeenkomst. Dit moleculair genetisch onderzoek aan het DNA heeft tot een ware omwenteling geleid, in het omgooien van enorme delen van de fylogenetische stamboom. Een mooi voorbeeld daarvan is de stamboom van de vogels die sinds de jaren 1990 grondig is gewijzigd.

Het huidige wetenschappelijke soortbegrip laat geen eenduidige manier toe om in alle gevallen onderscheid tussen soorten te kunnen maken. Desondanks blijven biologen nog steeds op zoek naar manieren om het onderscheid tussen soorten in de praktijk mogelijk te maken.

In andere talen
Afrikaans: Spesie
Alemannisch: Art (Biologie)
aragonés: Especie
العربية: نوع (تصنيف)
asturianu: Especie
azərbaycanca: Bioloji növ
башҡортса: Төр (биология)
Boarisch: Oart (Biologie)
беларуская: Біялагічны від
беларуская (тарашкевіца)‎: Від (біялёгія)
български: Вид (биология)
भोजपुरी: प्रजाति
বাংলা: প্রজাতি
brezhoneg: Spesad
català: Espècie
کوردی: جۆرە
čeština: Druh
Чӑвашла: Тĕс (биологи)
Cymraeg: Rhywogaeth
dansk: Art
English: Species
Esperanto: Specio
español: Especie
euskara: Espezie
suomi: Laji
français: Espèce
Frysk: Soarte
Gaeilge: Speiceas
galego: Especie
Avañe'ẽ: Juehegua
Fiji Hindi: Species
hrvatski: Vrsta
hornjoserbsce: Družina (biologija)
Kreyòl ayisyen: Espès
magyar: Faj
interlingua: Specie
Bahasa Indonesia: Spesies
Ilokano: Sebbangan
italiano: Specie
日本語: 種 (分類学)
Patois: Spiishi
Basa Jawa: Spésies
ქართული: სახეობა
қазақша: Түр
ಕನ್ನಡ: ಜಾತಿ
한국어: 종 (생물학)
къарачай-малкъар: Биология тюрлю
Kurdî: Cure
Кыргызча: Түр
Lëtzebuergesch: Aart
lumbaart: Spéce
lietuvių: Rūšis
latviešu: Suga
македонски: Вид (биологија)
മലയാളം: സ്പീഷീസ്
монгол: Зүйл
Bahasa Melayu: Spesies
Malti: Speċi
မြန်မာဘာသာ: မျိုးစိတ်
Napulitano: Specia
Plattdüütsch: Oort (Biologie)
नेपाल भाषा: प्रजाति
norsk nynorsk: Art
norsk: Art
ਪੰਜਾਬੀ: ਪ੍ਰਜਾਤੀ
Kapampangan: Species
Piemontèis: Spece
پنجابی: سپیشیز
português: Espécie
Runa Simi: Rikch'aq
русиньскый: Вид (біолоґія)
Scots: Species
srpskohrvatski / српскохрватски: Vrsta
Simple English: Species
slovenčina: Druh (taxonómia)
slovenščina: Vrsta (biologija)
shqip: Lloji
српски / srpski: Врста (биологија)
Basa Sunda: Spésiés
svenska: Art
Kiswahili: Spishi
తెలుగు: జాతి
Türkmençe: Biologik görnüş
Tagalog: Espesye
Türkçe: Tür
татарча/tatarça: Төр (биология)
українська: Вид (біологія)
اردو: نوع
oʻzbekcha/ўзбекча: Tur (biologiya)
vèneto: Spece
Tiếng Việt: Loài
West-Vlams: Sôorte
Winaray: Espesyis
მარგალური: გვარობა
ייִדיש: זגאל
中文: 物种
粵語: 物種