Preromaanse kunst

De preromaanse kunst is de naam van de kunst tussen de tijd van de Merovingen in de 6e eeuw tot het begin van de romaanse kunst in de 11e eeuw. Niet alle kunsthistorici zijn even gelukkig met deze benaming die werd gelanceerd door Jean Hubert in 1938, [1] omdat zij alleen maar aanduidt dat het kunst van voor de romaanse periode was.

Deze periode wordt vooral gekenmerkt door de opname van Romeinse en mediterrane elementen in de Germaanse vormentaal en de daaruit resulterende nieuwe mengvormen die naar de romaanse kunst leidden.

In Ierland, Schotland en Northumbria ontstond de Anglo-Ierse of Insulaire stijl, een mengvorm van Keltische, Byzantijnse en Anglo-Saksische elementen. De Insulaire kunst werd naar het continent gebracht door missionarissen die zich in Gallië vestigden en er klooster stichtten.

In het Frankische rijk evolueerde de Merovingische via de Karolingische kunst die een hoogtepunt bereikte tijdens de Karolingische renaissance naar de Ottoonse kunst die dan weer sterk werd beïnvloed door de kontakten met Byzantium. De Karolingische kunst gaat over in de romaanse kunst in het West-Frankische Rijk; de Ottoonse kunst ligt aan de basis van de romaanse kunst in Oost-Francië.

Politiek-dynastieke indeling

Muiredach's High Cross, Monasterboice in Ierland.

Insulaire kunst

1rightarrow blue.svg Zie Insulaire kunst voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Ook insulaire kunst is een begrip dat niet zeer duidelijk gedefinieerd is. Engelse bronnen noemen het meestal de kunst van de Britse eilanden en Ierland in de periode van 600 tot 900 [2] terwijl Ierse bronnen de nadruk leggen op het ontstaan in Ierland. De insulaire kunst ontstond in Ierland uit elementen van de plaatselijke Keltische kunst en de Romeinse en Byzantijnse voorbeelden die naar Ierland waren gebracht door Romeinse missionarissen. Ze werd door Ierse missionarissen die naar Schotland trokken meegenomen en kwam zo terecht in Northumbria. De insulaire kunst is vooral bekend om zijn metaalwerk, manuscripten en gebeeldhouwde hoge kruisen die vanaf de 7e eeuw ontstaan in Ierland [3] en later overgenomen worden in vooral Schotland en Northumbria. [4] De Ierse kunststijl vermengt zich met de Anglo-Saksische stijl in Engeland omstreeks 900. De Insulaire stijl blijft in gebruik in Engeland tot de komst van de Normandiërs, in Ierland tot de 12e eeuw waarna hij overgaat in de romaanse stijl.

Anglo-Saksische kunst

Schouder gesp van Sutton Hoo, vroege 7e eeuw

De term Anglo-Saksische kunst wordt gebruikt voor de kunst die tijdens de volksverhuizingen door de Angelsaksen werd meegbracht naar Engeland en zich daar verder ontwikkelde. De Anglo-Saksische kunst beleefde een hoogtepunt in de 7e en 8e eeuw waarvan de grafgiften uit Sutton Hoo getuigen. Een van de best gekende Anglo-Saksische kunstwerken is ongetwijfeld het tapijt van Bayeux dat omstreeks 1070 in Engeland geborduurd werd voor Odo van Bayeux een halfbroer van Willem de Veroveraar. Naast de architectuur, beeldhouwkunst, edelsmeedkunst en emailkunst, waren ook ivoorsnijkunst en de boekverluchting belangrijk. De edelsmeedkunst was waarschijnlijk de voornaamste kunsttak, maar er is vrij weinig bewaard gebleven omwille van de plunderingen door de Vikingen in de 9e eeuw.

Merovingische kunst

1rightarrow blue.svg Zie Merovingische kunst voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Met de opkomst van de Merovingische dynastie (481-754) ziet men in het rijk van de Franken stilaan nieuwe kunstvormen ontstaan.

De edelsmeedkunst stond hoog in aanzien bij Franken en Kelten en was de kunst bij uitstek voor het vervaardigen van machtsymbolen (scepter, ceremoniële zwaarden, kromstaf), reliekschrijnen en dergelijke. Goudsmeden zoals Sint-Elooi waren belangrijke personen. Hij werd adviseur van Dagobert I en verzorgde het smeedwerk voor het grafmonument van Dionysius van Parijs (saint Denis). De Merovingische edelsmeedkunst ging eigenlijk terug op de Keltische traditie met toevoeging van enkele Frankische en christelijke elementen.

Op het gebied van de bouwkunst is er nagenoeg niets overgebleven. Het bouwen van kerken beperkte zich dikwijls tot het aanpassen van Romeinse gebouwen of tempels. Een zeldzaam voorbeeld van architectuur uit deze periode is het baptisterium van Sint-Johannes in Poitiers.

Karolingische kunst

1rightarrow blue.svg Zie Karolingische kunst voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Gravure van de Paltskapel in Aken zoals ze er zou uitgezien hebben in de middeleeuwen.

Onder Karolingische kunst verstaat men de kunst die ontstond in de periode tussen 780 en 900, tijdens de regering van Karel de Grote en zijn directe opvolgers. Naast de architectuur met onder meer de Paltskapel, een deel van de Akener koningspalts nu een deel van de Dom van Aken, de edelsmeedkunst en de schilderkunst die we vooral kennen van de boekverluchting, is een van de grote verwezenlijkingen van de Karolingen de redding van het Latijn en de klassieke cultuur. Tijdens de Karolingische periode werden de werken van Latijnse auteurs zoals Virgilius, Horatius, Terentius, Quintilianus, Seneca en Cicero gekopieerd in de scriptoria van de abdijen, op initiatief van de geleerden die Karel aan zijn hof verzameld had.

In andere talen