Mieczysław Karłowicz (componist)

Mieczysław Karłowicz ( Wiszniewo (heden in Wit-Rusland, in 1876 in Litouwen), 11 december 1876Tatragebergte, 8 februari 1909) was een Poolse componist en dirigent. Hij was één van de veelbelovendste componisten van zijn generatie en was één van de eerste Poolse componisten die zich intensief uitte door middel van het symfonisch gedicht.

Biografie

Portret van de componist, vermoedelijk rond 1908 gefotografeerd.

Karłowicz bracht zijn jeugdjaren door op het familielandgoed in Wiszniewo. In 1882 verkocht zijn vader het landgoed en de gehele familie verhuisde naar Heidelberg en in 1885 naar Praag, weer een jaar later naar Dresden. In 1887 vestigden zij zich in Warschau. Binnen de familie werd zeer veel aan muziek gedaan en Karłowicz maakte, door vele theaterbezoeken, kennis met de opera’s en symfonisch werken van de componisten van die tijd met een nadruk op het klassiek romantische repertoire. Op zijn 7de kreeg Karłowicz zijn eerste vioollessen en in Warschau studeerde hij bij Jan Jakowski. Tussen 1889 en 1895 was hij student bij de bekende vioolpedagoog Stanisław Barcewicz. Gedurende die tijd kreeg hij ook lessen in harmonie van de componist Zygmunt Noskowski en van Piotr Maszyńaki. Later nam hij ook lessen in contrapunt van Gustaw Roguski. Rond die tijd produceerde hij zijn eerste composities: een pianostuk met de naam ‘Chant de mai’ dateert van die tijd. In 1895 verhuisde hij naar Berlijn voor vioolonderricht bij de wereldberoemde violist en pedagoog Joseph Joachim maar hij werd in die klas niet toegelaten. Hij richtte zich toen op privélessen van Florian Zajic. Karłowicz bleek een breed georiënteerd mens; in diezelfde tijd hield hij zich in Berlijn ook bezig met muziekhistorie, filosofie, psychologie en fysica. Eind 1895 en begin 1896 componeerde hij ongeveer 20 liederen voor zangstem en piano. Zijn eerste orkestmuziek componeerde hij in 1896; dit was toneelmuziek bij een drama van Jozefat Nowiński, ‘De witte Duif’ (Bianca da Molena, op.6), en een Serenade voor Strijkers op.2. Tegen de eeuwwisseling componeerde hij een ambitieuze symfonie, de Wedergeboorte-symfonie op.7. Deze voltooide hij tijdens zijn afstudeerperiode in 1901. Kort daarna, in 1902, voltooide hij zijn Vioolconcert op.8. In 1903 nam hij plaats in het bestuur van de Muziekvereniging van Warschau waar hij het symfonieorkest organiseerde. Hij werd gefascineerd door het symfonisch gedicht en legde zich daarop zeer actief toe. Tussen 1904 en 1909 componeerde hij er bijna zes. In 1906 vestigde hij zich in Zakopane, een vakantiedorp in het Tatragebergte. Hij werd een gepassioneerd bergbeklimmer en skiër en was één van de eersten die de Tatra uitgebreid fotografeerde. Ook was hij als één van de eersten in het bezit van een fiets. Tussen 1906 en 1907 studeerde hij orkestdirectie bij Arthur Nikisch. Tijdens een skitocht in februari 1909 werd Karłowicz door een lawine overvallen en hij overleed aan de gevolgen daarvan. Hij is begraven op begraafplaats Powązki te Warschau.