Mantsjoerije-incident

Mantsjoerije-incident
Japanse troepen marcheren Shenyang binnen tijdens het Mantsjoerije-incident
Japanse troepen marcheren Shenyang binnen tijdens het Mantsjoerije-incident
Datum 18 september 193118 februari 1932
Locatie Noordoost-China, China
Resultaat Japanse overwinning
Strijdende partijen
Flag of the Republic of China.svg Nationaal Revolutionair Leger, Republiek China Flag of Japan.svg Japanse Keizerlijke Leger, Japanse Keizerrijk
Leiders en commandanten
Flag of the Republic of China.svg Zhang Xueliang,
Flag of the Republic of China.svg Ma Zhanshan,
Flag of the Republic of China.svg Feng Zhanhai
War flag of the Imperial Japanese Army.svg Shigeru Honjo,
War flag of the Imperial Japanese Army.svg Jiro Minami
Troepensterkte
160.000 30.000 – 66.000
Verliezen
 ?  ?

Het Mantsjoerije-incident (満州事件, Manshū jihen), wordt door de meeste mensen geïnterpreteerd als de militaire actie die ondernomen werd door het Japanse Kanto-leger (関東軍, Kantogun) in de nacht van 18 september 1931. Het begrip omvat echter veel meer dan dit alleen. Het Mantsjoerije-incident staat symbool voor de gehele politiek die Japan heeft doorgevoerd in Mantsjoerije, vanaf het ontwikkelen van het Kanto-pachtgebied (関東) tot en met het oprichten van de onafhankelijke staat Mantsjoekwo (満州国). Het Mantsjoerije-incident is een cruciale factor in de ontwikkeling van militarisme en imperialisme in Japan.

Achtergrond

Ontwikkelingen in China

In 1911 heerste er in het Chinese keizerrijk de Xinhai-revolutie, onder leiding van Sun Yat-sen (孫逸仙). De revolutie was ontstaan door de ontevredenheid over de corruptie en onmacht van de Qing (清)-dynastie en het imperialisme van de grootmachten. De Chinese provincies riepen allemaal hun onafhankelijkheid uit en ze kwamen één voor één, Mantsjoerije inbegrepen, los van de centrale autoriteiten. In begin 1912 werd de staatsvorm van China omgevormd tot republiek. Pu Yi (溥儀), de laatste keizer van de Qing-dynastie, werd afgezet en Yuan Shikai (袁世凱) werd president van de Republiek China.

In 1916 overleed Yuan Shikai en het tijdperk van de krijgsheren (warlords) was aangebroken. Verschillende krijgsheren gingen allemaal onafhankelijk over Chinese gebieden regeren. De nationale regering bleef bestaan, beheerst door telkens andere militaire groepen, maar ze had slechts nominaal gezag. In Mantsjoerije (満州, Manshū) liet Zhang Zuolin (張作霖), een van deze krijgsheren, zijn macht gelden. Het gebied was Chinees in naam, maar de Chinese soevereiniteit reikte er niet.

Economische crisis in Japan

Na de Eerste Wereldoorlog was Japan, vanwege het feit dat het nauwelijks schade had opgelopen, op industrieel en economisch vlak zo geëvolueerd dat het vernielde Europa er geen voorsprong meer op had. Bijna alle grondstoffen die de Japanse industrie nodig had moesten echter ingevoerd worden. Naast het probleem van een gebrek aan natuurlijke grondstoffen, had Japan ook te kampen met het probleem van bevolkingsgroei. Invoer van voedsel was nu noodzakelijk geworden, maar vanwege de hoge invoertarieven kon de regering de bevolking niet geven wat ze nodig had. De Japanse regering trachtte emigratie naar de Verenigde Staten te stimuleren, maar de Amerikaanse bevolking trad hiertegen op. In Amerika vreesde men werk te verliezen aan goedkope buitenlandse arbeidskrachten.

Japanners in Mantsjoerije

Aan het einde van de 19de eeuw hadden Tsaristisch Rusland en Japan op Mantsjoerije hun stempel gedrukt. Beide landen hadden nieuwe commerciële bedrijven opgericht, concessies verkregen voor de mijnbouw en spoorwegen aangelegd. Uiteindelijk kreeg Rusland van China een pacht over het Kanto-gebied in Zuid-Mantsjoerije (南満, Minami Manshū). In 1905 kwam de Russisch-Japanse Oorlog ten einde, in het voordeel van Japan. Deze oorlog was ontstaan uit onder andere een belangenconflict tussen Japan en Rusland over Mantsjoerije en Korea. Dankzij het Verdrag van Portsmouth verwierf Japan van Rusland op 5 september 1905 het Kanto-pachtgebied met daarin onder andere Dalian (大連, Dairen) en Port Arthur (旅順, Ryojun). Een ander belang dat Japan in Mantsjoerije overhield was de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg (南満州鉄道株式会社 , Minami Manshū Tetsudō Kabushiki Kaisha; afgekort 満鉄, Mantetsu). Buiten het Kanto-pachtgebied werd Mantsjoerije beschouwd als Chinees grondgebied.

Om toezicht te houden over de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg en andere commerciële belangen in Mantsjoerije richtte Japan in 1906 het Kanto-garnizoen op. In 1919 werd het Kanto-garnizoen omgedoopt tot het Kanto-leger (関東軍, Kantogun). Ze bezette het volledige pachtgebied. Dit leger bestond onder andere uit extremistische officieren die goed genoeg wisten dat hun oversten plannen hadden om het Japanse grondgebied in Azië uit te breiden met behulp van militair geweld. Ze waren bereid om in Mantsjoerije deze maatregelen te nemen. De pacht zou maar bestaan tot 1923, maar na de Eerste Wereldoorlog verzekerde Japan zichzelf een verlenging van de pacht van het Kanto-gebied dankzij de Eenentwintig Eisen aan China. Hun aandeel in de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg bleef bestaan. In ruil voor militaire steun van het Kanto-leger, erkende Zhang Zuolin (de krijgsheer die op dat moment over Mantsjoerije regeerde) de Japanse privileges in Mantsjoerije.

Voor de Japanners die er niet in slaagden hun ambities thuis te vervullen, was Mantsjoerije een nieuw begin waar ze konden proberen hun droom van rijkdom te verwezenlijken. Japanse handelaars begonnen naar Mantsjoerije te trekken in de hoop er snel rijk te kunnen worden. Avonturiers uit Japan trokken ook naar Mantsjoerije, sommigen hiervan werden lid van roversbendes. Als gevolg van het Japanse immigrantenprobleem in Californië, was de relatie tussen Japan en de Verenigde Staten verslechterd, waardoor de Japanse minister van Buitenlandse Zaken Komura Jutaro (小村寿太郎) een Japanse emigratie naar Mantsjoerije wilde stimuleren. Trachtend het bevolkingsprobleem op te lossen, maakte Komura een twintigjarenplan op om één miljoen emigranten naar Mantsjoerije te sturen. Het aantal Japanse inwoners van Mantsjoerije steeg van 68.000 in 1909 naar 219.000 in 1930. De uiteindelijke emigratie bestond voornamelijk uit werknemers van de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg en hun families. Dan waren er nog ongeveer duizend boeren. De rest bestond uit avonturiers, gewetenloze kooplieden en andere sociaal ongewensten.

Spanningen lopen op

In 1925 werd Chiang Kai-shek, leider van de nationalistische partij Kwomintang, president van de Republiek China. Onder invloed van deze nationalistische partij, of met de idee om zijn eigen onafhankelijke koers te varen, begon Zhang Zuolin zijn rug te keren naar de Japanse militairen, en begon hij meer en meer te geloven in de eenmaking van China. Het Japanse Kanto-leger begon nerveus te worden en wilde zijn positie in Mantsjoerije verzekeren. Op 4 juni 1928 werd er door een kleine groep Japanse militairen een bomaanslag gepleegd op zijn trein, onder leiding van kolonel Daisaku Komoto (河本大作). Zhang Zuolin was zwaargewond, en de warlord overleed enkele dagen later aan zijn verwondingen. Dit incident draagt de naam Manshū bō jūdai jiken (満州某重大事件). Zhang Zuolin werd echter opgevolgd door zijn zoon Zhang Xueliang (張學良). De moord op Zhang Zuolin was niet goedgekeurd door het Tanaka-kabinet, maar premier Tanaka Giichi (田中義一) faalde erin de daders te straffen. Hij kon evenmin discipline herstellen in het leger. Deze onmacht zorgde ervoor dat Keizer Hirohito hem in gebreke stelde, wat Tanaka tot aftreden dwong.

Er volgde, voor het Kanto-leger, een “crisis” in Mantsjoerije: Chinezen begonnen hun eigen spoorweg te bouwen, parallel met die van de Japanners. Zhang Xueliang, de Japanners nog slechter gezind dan zijn vader, begon economische druk uit te oefenen op de Japanse kolonisten. Zhang Xueliang ijverde ook voor de eenmaking van China en liet duidelijk blijken een anti-Japanse politiek te willen voeren. Het grote tij van Chinees Nationalisme, onder invloed van Chiang Kai Shek en zijn nationalistische partij, was aan de grenzen van Mantsjoerije aangekomen. In 1930, onder druk van de Chinese regering, erkende Zhang Xueliang officieel de autoriteit van nationalistisch China.

Japanse militairen, met steun van Japanse kolonisten in Mantsjoerije, begonnen pogingen te doen om de Japanse politici te overtuigen van het belang een dominante positie te kunnen uitoefenen in Mantsjoerije. De ontwikkeling van Mantsjoerije zou de enige oplossing zijn voor de toen huidige Japanse grondstof en populatieproblemen. De ontwikkeling van de landbouw en het oplossen van het immigratieprobleem zouden kunnen helpen om de catastrofale economische situatie in Japan te verlichten. Japanse militairen zagen vooral in de noordelijke regio's van Mantsjoerije duidelijke redenen om uit te breiden. Door middel van militair geweld zou Japan met de overname van Mantsjoerije hun bevolkingsprobleem, en hun tekort aan grondstoffen kunnen oplossen. Het Kanto-leger deed hun best om de Japanse civiele regering te overtuigen van het bestaan van deze problemen. Een brief van luitenant-kolonel Ishiwara Kanji (石原莞爾) had onder meer deze inhoud:

"Mantsjoerije en Mongolië zijn niet deel van China, ze behoren aan de inwoners van Mantsjoerije en Mongolië. Het is alom bekend dat we onze nationale situatie te ver hebben laten komen en dat er geen manier is om de voedsel, populatie, en andere belangrijke problemen op te lossen. Het enige pad dat ons nog overblijft, is het ontwikkelen van Mantsjoerije en Mongolië."

Ondanks dit argument was de Japanse civiele regering echter geen voorstander van een militaire overname van Chinees grondgebied. Zelfs als Mantsjoerije en Mongolië geen deel uitmaakten van China, gaf dit Japan nog geen recht om hen te annexeren. Zou er in de harde tijden die Japan doormaakte, geld kunnen vrijgemaakt worden voor de ontwikkeling van Mantsjoerije? Ishiwara had geen concrete antwoorden, en de civiele regering bleef onovertuigd.

De Mantsjoerije Jeugd Liga, een groep van jonge Japanse kolonisten, steunde het Kanto-leger, en wilden eveneens een einde brengen aan de diplomatie van het kabinet- Wakatsuki van Wakatsuki Reijiro (若槻礼次郎), waarvan Shidehara Kijuro (幣原喜重郎) minister van Buitenlandse Zaken was. Deze was het niet eens met de plannen van de Japanse militairen. Shidehara wenste zo weinig mogelijk inmenging in de noordelijke provincies van China. Zijn voorzichtige politiek werd op internationaal vlak wel gewaardeerd, maar de Japanse militairen ergerden zich er vreselijk aan. De Mantsjoerije Jeugd Liga zond een groep naar Japan om de crisis van de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg bekend te maken. De Japanse bevolking reageerde echter koel, er waren al genoeg problemen in Japan zelf.

De dramatische economische situatie in Japan, en de groeiende crisis in Mantsjoerije (het begon er meer en meer naar uit te zien dat Japan zich zou moeten terugtrekken, omwille van het politieke beleid van de Japanse regering en het opkomende Chinese nationalisme), zorgden voor de aanleiding tot een “ omwentelingsbeweging” (革新運動, kakushin undō) in het leger en de rechtse stroming. In Japan zelf leidde dit tot het “ Maart Incident” waarin militairen en rechtse burgeractivisten onder leiding van luitenant-kolonel Hashimoto Kingoro (橋本五郎) trachtten generaal Ugaki Kazushige (宇垣一成) tot staatshoofd uit te roepen.

Ondertussen was in Mantsjoerije een groep van Kanto-legerofficieren, onder leiding van luitenant-kolonel Ishiwara Kanji (石原莞爾) en kolonel Itagaki Seishiro (板垣征四郎), druk bezig voorbereidingen te treffen om de Mantsjoerije-crisis met militair geweld op te lossen. Het Japanse militaire hoofdkwartier in Tokio had hier geen toestemming voor verleend. Ishiwara was de theoreticus achter het complot, Itagaki was de praktische uitvoerder.

In 1931 waren beiden partijen, China en Japan, klaar voor de confrontatie. Nationalistisch China vond dat het tijd was om Mantsjoerije definitief terug te nemen. Japan wilde zijn belangen in Mantsjoerije veiligstellen door het definitief van China te scheiden.

In andere talen